Realisme is het uitgangspunt voor een beschrijving van de maatschappelijke werkelijkheid, zoveel mogelijk ontdaan van politieke, morele of ideologische stellingname. Dat wil niet zeggen dat die beschrijving “objectief” is. Een standpunt buiten die werkelijkheid van waaruit die geheel neutraal beschreven kan worden is een onmogelijkheid; de beschrijving zal altijd een zekere kleur behouden en die zeer complexe werkelijkheid slechts zo goed mogelijk benaderen.

Dit realistisch manifest definieert de wijze waarop onderzoek naar de sociale werkelijkheid volgens de uitgangspunten van de evolutionaire systeemtheorie plaats moet vinden. Het gaat om de volgende uitgangspunten

  1. Morele oordelen en idealen dienen vermeden te worden.
  2. Slachtoffer/schuld en lineaire oorzaak/gevolg als verklaring worden vermeden.
  3. De instituties zijn het uitgangspunt, niet de mens.
  4. Inzicht in de condities waaronder kennis over de maatschappij tot stand komt.

Het onderwerp van Realistisch onderzoek
op basis van deze uitgangspunten:

  1. De Westerse cultuur in ruime zin. Gezien vanuit het standpunt Nederland, Europa. Europa is onderworpen aan de hegemonie van de Verenigde Staten en onze toestand is in grote mate een product van die hegemonie. Deze analyse maakt zelf deel uit van de Westerse cultuur.
  2. De wereldwijde economische orde, het multinationaal kapitalisme. Dit is het belangrijkste, meest bepalende wereldwijd opererend samenstel van instituties van de Westerse beschaving. Zij is de hoofdoorzaak van de crisis waarin het Westen zich sinds twintig jaar bevindt en die steeds ernstiger vormen aanneemt. De te verwerven kennis dient een bijdrage te leveren aan het reorganiseren van die orde. Er bestaat geen mondiale democratische, de volkeren dienende macht die op wereldschaal een herordening kan afdwingen. Realistische kennis is erop gericht om op Europese schaal veranderingen mogelijk te maken.
  3. De wijze waarop onze (Europese) samenleving geordend is als een veelheid van samenwerkende en met elkaar concurrerende instituties; de machtsverhoudingen tussen die instituties.
  4. De wijze waarop individuen in de machtsnetwerken van die instituties worden opgenomen; hun plaats toegewezen krijgen. De door die ordening ontstane permanente en noodzakelijke ongelijkheden tussen individuen en tussen instituties. (Dit is fundamenteel voor iedere vorm van leven, ook voor menselijke samenlevingen.)
  5. De bestaansvoorwaarden voor een zelfstandig bestaan als staat. Behalve haar interne ordening dienen ook de menselijke en culturele reproducties en de grenzen met andere staten gehandhaafd te kunnen worden. Naarmate culturen meer verschillen zijn de mogelijkheden om in een staat of federatie vreedzaam samen te leven beperkter.
  6. De morele en ideologische crisis. De Westerse beschaving bevindt zich niet alleen in een economische, maar ook in een morele crisis. De heersende levensovertuiging heeft sterke individualistische en universalistische inslag. Een dergelijk universalisme conflicteert met biologische beperkingen die de mens nog steeds beheersen en kan niet als verbindende factor tussen mensen functioneren.
  7. De instituties (democratie, rechtsstaat, onderwijs, gezondheidszorg, wetenschap, markt, “bedrijfsleven”, media, leger) die gezamenlijk de Westerse beschaving vormen. De impliciete consensus tussen burgers die voor functioneren noodzakelijk is door de ideologische crisis ondermijnd en daarmee het functioneren van de instituties zelf.
  8. Bevolkingspolitiek in brede zin. Het gaat onder andere om groei en krimp van de bevolking, externe en interne migratie, samenstelling van de bevolking, zorg, opvoeding, opleiding en levensovertuiging.
  9. De onder 7 genoemde consensus, gebaseerd op gedeelde waarden, krijgt vorm in grondwet, verdragen en overige wetgeving en de daarop gebaseerde instituties. Doordat die consensus sterk is afgenomen, functioneren de wetten en daarop gebaseerde instituties niet meer. Een aantal uitgangspunten voor nader onderzoek:
  10. Vrijheid van meningsvorming maakt integraal deel uit van democratie. Kritiek moet niet alleen geuit, maar in de eerste plaats gehoord worden.
  11. Groepen of individuen die zich in het maatschappelijk verkeer duidelijk buiten de vastgelegde consensus opstellen en gedragen en daarmee feitelijk de maatschappij ondermijnen mogen voor kortere of langere tijd in meerdere of mindere mate burgerrechten – vrijheden – ontnomen kunnen worden.
  12. Het uitgangspunt van (straf)rechtspraak dient in de eerste plaats bescherming van de orde te zijn en pas daarna heropvoeding of straf. Het gaat niet om de daad, maar om gedrag.

Deze onderwerpbepaling is zo veel mogelijk feitelijk, zonder moreel oordeel geformuleerd. Kritiek op deze uitgangspunten dient daar ook aan te voldoen. Realisme is noodzakelijk om de verschillende mogelijke toekomstige ontwikkelin­gen zo goed mogelijk zichtbaar te maken. Die dienen eerst beoordeeld te worden op de vraag of ze gesignaleerde problemen oplossen of juist verergeren. Pas daarna is er een mogelijkheid om op grond van morele oordelen de meest gewenste ontwikkeling te ondersteunen.